De Joodse invloed

Alfred Goudsmit, de zoon van Simon Philip Goudsmit. Hij kwam in 1909 in de Bijenkorf.

De families Goudsmit en Isaac behoorden tot de seculiere en liberale joodse gemeenschap en voerden geen koshere huishouding. Maar al waren ze dan niet orthodox joods, toch was de Bijenkorf vanaf het begin een typische joods bedrijf. Nieuwe personeelsleden werden geworven via advertenties in joodse periodieken, en op zaterdag en Yom Kippur was de winkel gesloten. Ook als seculiere joden bleven beide families betrokken bij de joods-religieuze gemeenschap. Het gezin van Arthurs zoon Frits Isaac bijvoorbeeld, vierde drie joodse feestdagen: Joods Nieuwjaar, Grote verzoendag (Yom Kippur) en Joods Pasen (Pesach). Zo was ook deelname aan het joods maatschappelijk werk een vanzelfsprekende plicht binnen de Isaac familie: Arthurs moeder was regentes van het joodse weeshuis in Amsterdam.


Er heerste een gedragscode van overtuigen op emotionele en rationele basis: “Het is gewoon zo”. De Bijenkorf was als het ware één grote familie en zo ging men ook met elkaar om.

In een In Memoriam voor Arthurs jongste zoon, Hugo Isaac, werd de levenshouding van de Isaac familie omschreven als [...billijk in de betekenis van rechtmatig, rechtvaardig, en redelijk. Zij waren onderdeel van de joodse gemeenschap, maar niet religieus. De deur stond altijd open voor joods-maatschappelijke of joods-culturele bijeenkomsten, waarmee hun verbondenheid met de joodse gedachtewereld vorm werd gegeven...]. Door Mr. R.A. Levisson werd toen gememoreerd dat de families Grote Verzoendag in ere hielden als duidelijk teken van solidariteit met de joodse traditie.

De joodse religie was diep geworteld in het leven en denken van de joodse gemeenschap en bepaalde dus ook de bedrijfscultuur van de Bijenkorf, zeker tot aan het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, toen van de 3302 medewerkers bijna een kwart joods was.

In de joodse cultuur werd de formele organisatie niet altijd serieus genomen, het ging vooral om de informele organisatie, die zich afspeelde rondom een beperkt aantal gezaghebbende personen. Er heerste een gedragscode van overtuigen op emotionele en rationele basis: “Het is gewoon zo”. De Bijenkorf was als het ware één grote familie en zo ging men ook met elkaar om. Toch sloot dit een zekere hiërarchie niet uit, want als het er op aan kwam, was Arthur Isaac onmiskenbaar de baas.


Een bespiegeling van Frits Isaac uit 1937 over zijn vader en familie

De openingsadvertentie van 3 september 1914.

Maquette van de Bijenkorf Amsterdam in 1912 met het losse torentje uit KBB archief in het Stadsarchief Amsterdam.

De Bijenkorf Amsterdam in 1914 uit het KBB archief in het Stadsarchief Amsterdam.