Cultuuronderzoek

Arie Maas, voorzitter Raad van Bestuur KBB, vanaf 1983. De foto is uit een interview in BijenKorf in 1995 bij zijn afscheid als Bestuursvoorzitter van KBB.

In 1995 werd door de directie een groot cultuuronderzoek uitgevoerd, dat mede als leidraad moest dienen voor de organisatie en verbetering van de werkwijze moest bevorderen, zoals omschreven in het beleidsplan 1997. Daarbij moesten onder meer de kosten strenger in de hand worden gehouden en de productiviteit naar een hoger plan worden gebracht. De conclusies waren vergelijkbaar met die van het critical visit door het IWV in 1932. Nagenoeg dezelfde conclusies waren ook al getrokken in de sterkte/zwakte analyse bij de start van de Strategische Heroriƫntatie uit 1976.


"Het tempo waarin het gedrag en de voorkeur van de consument verandert wordt steeds hoger. De Bijenkorf zal zich dus in een hoger tempo aan die veranderingen moeten aanpassen". aldus scheidend bestuursvoorzitter KBB Arie Maas.

In het cultuuronderzoek uit 1995 werden de volgende karakteristieken en tekortkomingen geconstateerd:

Het informele als belangrijkste cultuurkenmerk. In de omgang met elkaar was er sprake van vrijblijvendheid en ad hoc handelen. Ook de controle en beoordeling van de werkzaamheden had een sterk informeel karakter en werd weinig systematisch uitgevoerd. De doelstellingen werden meestal wel gecontroleerd maar zelden gesanctioneerd. De besluitvorming kende ook een informeel karakter, met een tendens iedereen te laten meepraten en steeds naar compromissen te zoeken. Afspraken werden niet altijd nagekomen en er was een tekort aan formele communicatie; het informele kanaal werd vooral gekenmerkt door 'gegons over de gangen'.


Ook een grote mate van vrijheid was een typerend cultuurkenmerk, dat gold zowel voor het individu als voor de verschillende bedrijfsonderdelen. Nog altijd was er sprake van creativiteit en had de inkoop een leidende rol in de organisatie. De waarden en normen werden vooral bepaald door de trots voor het bedrijf en de culturele en maatschappelijke interesses van de organisatie. In het algemeen gedrag was er sprake van enige arrogantie, terwijl de behoefte overal een feest van te maken tot een traditie verheven leek te worden. Wat betreft de organisatiecultuur waren tolerantie, loyaliteit en betrokkenheid de meest genoemde kenmerken.