Dramatische ontwikkelingen

Leo Meyer 1914 lid van de directie namans de Duitse/Belgische aandeelhouders.

In het personeelsblad Bij en Korf van mei 1940 blijkt nog maar weinig van de tragische gebeurtenissen die ons land op zijn grondvesten zouden doen schudden. Wel was er sinds september ’39 regelmatig aandacht besteed aan de gemobiliseerde medewerkers en werd er in april 1940 vermeld dat 'Eenige leden die niet de Nederlandse nationaliteit bezaten hun ontslag hadden genomen', waarbij het ging om een viertal Duits-Joodse leden van de Raad van Beheer. Maar verder bleef de eerste oorlogseditie van Bij en Korf een afspiegeling van het normale reilen en zeilen in het warenhuis.

In november 1939 stelden alle Duits-Joodse leden van de Raad van Beheer hun positie ter beschikking

Toch had er ook toen al in de top een aantal ingrijpende veranderingen plaatsgevonden, zoals het vertrek van directeur-generaal Leo Meyer in september 1939 naar de Verenigde Staten. Leo Meyer was zich terdege bewust geweest van het nationaalsocialistische gevaar dat Nederland boven het hoofd hing en had, na de Duitse inval in Polen, besloten zijn toch al voorgenomen afscheid te vervroegen. Na 25 jaar actief deel te hebben uitgemaakt van het bestuur, viel dat afscheid hem zwaar; door Alfred Goudsmit werd zijn onvermoeibare werkkracht als grote verdienste geprezen.

In november 1939 stelden alle Duits-Joodse leden van de Raad van Beheer hun positie ter beschikking: ‘ in de tegenwoordige omstandigheden lijkt het mij en mijn collega’s van niet-Nederlandse nationaliteit in het belang Uwer vennootschap, indien deze op zuivere Hollandse leest geschoeid is’, schreef een van hen aan de directie. (Brief van A. Schöndorff van 10 november 1939)


Vlucht van Alfred Goudsmit naar Londen in mei 1940.

In mei 1940 vlucht Alfred Goudsmit met zijn familie per boot vanuit IJmuiden naar Engeland. Hij schreef een dag voor zijn vertrek een deel van zijn dagboek.

De afscheidstekst van Leo Meyer in Bijenkorf van mei 1940.

Afscheidstekst in BijenKorf van mei 1940 van Leo Meyer.