De collectie komt 'thuis'

Bronzen beeld “Meisje met vlecht" 1914 van Jacques Lipchitz uit de kunstcollectie KBB, 1973.

Voor het Stedelijk Museum werden in de loop der jaren steeds minder werken uit de collectie interessant genoeg om te exposeren. Omdat de depotruimte beperkt was en beheer ook de verplichting tot conservering van de werken inhield, verzocht directeur De Wilde in 1973 Koninklijke Bijenkorf Beheer, zoals het moederbedrijf van het warenhuis inmiddels heette, de werken terug te nemen. In 1973 werd begonnen met de teruggave van de kunst in bruikleen, in 1975 was de hele collectie terug bij de wettige eigenaars.

Eind jaren zeventig werden opnieuw werken aan de collectie toegevoegd, nu zonder externe adviezen. Bons, die graag meer lijn in de collectie wilde aanbrengen, kocht werk van Cobraschilders, surrealisten en fijnschilders. Met name Jeroen Henneman, maker van de Kus, was goed vertegenwoordigd. Ook buitenlandse kunstenaars kwamen nu aan bod, onder wie David Hockney, Jacques Lipchitz en Christo. Door de wisselende motivatie voor de aankopen in de loop der jaren is een verzameling ontstaan van uiteenlopende kwaliteit, met werk van museaal niveau maar ook van nu vergeten kunstenaars.


In 1973 verzocht het Stedelijk Museum KBB om haar uitgeleende collectie terug te nemen i.v.m. ruimte gebrek in het museum.